Buchenwald-herdenking 2011, toespraak burgemeester Van der Laan
Terug naar thema's
Op 11 april 1945 werd kamp Buchenwald bevrijd. Bij het Buchenwald-monument op De Nieuwe Ooster aan de Kruislaan in Amsterdam vond 66 jaar later, op 11 april 2011 de jaarlijkse herdenking plaats.
Burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan hield bij het monument met de Buchenwald-urn een toespraak. Onder de aanwezigen was Fatima Elatik, stadsdeelvoorzitter van Amsterdam Oost. Leerlingen van het Wellant College, die het monument hebben geadopteerd, droegen zelfgeschreven gedichten voor. Na het ten gehore brengen van de "last post" en een minuut stilte, was er gelegenheid bloemen en kransen te leggen bij het monument. De overlevenden van het kamp kregen als eerste gelegenheid eer te bewijzen aan hun overleden mede-gevangenen.
Toespraak van burgemeester Eberhard van der Laan bij de Buchenwald-herdenking op 11 april 2011 op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam
Dames en heren,
Vandaag zijn we hier op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam bij elkaar gekomen om te herdenken dat op 11 april 1945 het concentratiekamp Buchenwald door de zesde pantserdivisie van het Amerikaanse leger werd bevrijd.
Voor de broer van mijn vader, oom Gert, kwamen de Amerikanen helaas te laat; hij is in Buchenwald omgekomen. Hij was op weg naar Engeland toen hij in de Pyreneeën is gegrepen en naar Buchenwald werd gedeporteerd. Het concentratiekamp Buchenwald maakt zo ook deel uit van mijn familiegeschiedenis. Nog altijd, na zo veel jaren, en nadat er zo veel over nazi-Duitsland is geschreven, word ik van afschuw vervuld als ik tot me laat doordringen wat er in concentratiekampen zoals Buchenwald is gebeurd. Als dat al kan.
Voor de gevangenen, de kampbewoners, moet Buchenwald de hel op aarde zijn geweest. De enkele overlevenden die we vandaag hier bij ons hebben zullen dat bevestigen.
Groot was de schok in de buitenwereld toen na 11 april 1945 langzaam duidelijk werd wat Buchenwald eigenlijk was geweest. Op deze herdenking wil ik daar kort bij stil te staan – opdat ook de generatie die nu opgroeit, het weet en niet vergeet.
Eén van de soldaten van de zesde pantserdivisie van het Amerikaanse leger die het kamp Buchenwald bevrijdde, was soldaat eerste klas Harry J. Herder jr., toen 19 jaar oud. Vijftig jaar later zette Herder zijn herinneringen aan april 1945 op papier.
Het zijn in sobere taal opgeschreven herinneringen, die in al hun eenvoud de verbijstering uitdrukken over wat hij en zijn kameraden in het, op dat moment al door de Duitse troepen verlaten, kamp Buchenwald aantroffen:
Duizenden, uitgehongerde, in vale streepjespakken geklede gevangenen, velen ziek, en anderen stervende – de meesten mannen, maar ook vrouwen en kinderen.
Barakken, tot aan de nok toe gevuld met britsen, waar de gevangenen met zijn drieën moesten slapen.
Honderden, in de open lucht gestapelde, naakte lijken.
Een gebouw, met daarnaast een reusachtige schoorsteen, waar zwarte, merkwaardig stinkende, rook uitkwam.
Een ander gebouw met daarin, in drie rijen van tien, gestapelde ovens voor de verbranding van mensenresten.
De onbeschrijfelijke, ziekmakende geur van het kamp.
Herder en zijn kameraden hoorden in die dagen voor het eerst de woorden “concentratiekamp” en “crematorium” – en leerden de betekenis daarvan geleidelijk aan kennen.
Ze hoorden de verhalen over de kampcommandant en zijn vrouw, die (voor in hun huis) lampenkappen hadden laten maken van de huid van gevangenen.
Ze hoorden van de medische experimenten die op gevangenen werden uitgevoerd; experimenten waarbij de slachtoffers bijna altijd het leven lieten.
Voor Herder en zijn kameraden stond het vast, dit was de hel op aarde.
Herder beschrijft ook dat hij en zijn kameraden op een van die aprildagen van 1945, getuige waren van het lynchen van een voormalige Duitse kampbewaarder door een groep gevangenen – en dat zij níet ingrepen, terwijl ze dat wel hadden kunnen doen. De nacht na de lynchpartij overdacht Herder wat hij sinds zijn komst in Buchenwald allemaal had gezien en gehoord.
Hij vertelt ons dat hij toen besefte dat hij een Amerikaan van Duitse afkomst was en hij vroeg zich af wat er was gebeurd als zijn opa destijds niet vanuit Duitsland naar Amerika was geëmigreerd.
Dan was hij in Duitsland opgegroeid, en was hij tijdens de oorlog een Duitse soldaat geweest. Wat had hij dan gedaan?
Dit is de vraag die hem sindsdien bleef kwellen en achtervolgen.
En dat is ook de vraag die zich sindsdien aan ons allen, aan u en aan mij opdringt.
Meestal ben ik blij dat ik in de gelukkige omstandigheden verkeer dat ik daar geen antwoord op hoef te geven.
Tegelijkertijd doet de vraag “wat had jij gedaan?” een enorm appèl op onze verantwoordelijkheid in het hier en nu.
Niemand wil keuzes op zijn geweten hebben, die aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog doen denken – maar om die keuzes te vermijden moet je wel weet hebben van het verleden.
Daarom is het goed dat we, ieder jaar weer, bij elkaar komen bij herdenkingsbijeenkomsten zoals deze, ter gelegenheid van de bevrijding van het kamp Buchenwald, nu 66 jaar geleden. Het is een moment van bezinning, waarop we de slachtoffers van de oorlog gedenken, maar ook over de oorlog en die vraag nadenken. Ieder jaar weer. Opdat we weten en niet vergeten.
Terug naar thema's